
De woorden 'satyam', 'shivam' en 'sundaram' laten zich vertalen als 'waarheid', 'het goede, goddelijkheid' en 'schoonheid'. In november 1987 hield Osho in de Buddha Hall 30 lezingen onder de titel 'Satyam Shivam Sundram'. Hieronder staan de openingsvraag en -antwoord.
— — —
Osho, Wat is de mystieke opvatting van de ultieme werkelijkheid?
— — —
De mystieke opvatting van de ultieme werkelijkheid is de enige authentieke, ware ervaring. Het is geen gedachte of concept, maar een existentiële ervaring. De mysticus houdt zich niet bezig met de mind. Zijn hele inzet is om zich te bevrijden uit de gevangenis van het denken. De mysticus is geen filosoof; zijn wereld ligt voorbij alle filosofieën. Filosofieën zijn slechts bijproducten van het mentale proces. Zij weerspiegelen niet de werkelijkheid, maar enkel jezelf. Daarom bestaan er zoveel filosofieën die elkaar tegenspreken.
De werkelijkheid is één — hoe zouden er dan zoveel filosofieën kunnen zijn? Maar er zijn niet veel mystieke ervaringen. Er is maar één ervaring: tijd noch ruimte veranderen haar. Eeuwenlang heeft de mysticus, in elk land, in elk volk, in elke tijd, dezelfde werkelijkheid ervaren. De filosoof denkt over de werkelijkheid, de mysticus laat alle denken vallen. In zijn stilte — zijn volstrekte stilte en sereniteit — wordt hij een spiegel, en de werkelijkheid weerspiegelt zichzelf.
De mysticus is de hoogste bloei van het menselijk bewustzijn. Zijn uiteindelijke visie kan worden samengevat in drie schitterende woorden die al duizenden jaren worden gebruikt, en waarop nooit verbetering is aangebracht: satyam, shivam, sundaram.
Satyam betekent waarheid — niet wat jij erover denkt, maar wat zij is; niet jouw idee erover, maar haar eigen werkelijkheid. Om deze waarheid te kennen, moet je volkomen afwezig zijn. Jouw aanwezigheid vervormt het zicht, want jouw aanwezigheid betekent aanwezigheid van mind, van vooroordelen, van conditioneringen. Je bent niets dan een bundel van alles wat door religies, samenleving en leiders in je geprent is.
Jouw afwezigheid betekent: afwezigheid van alle vooroordelen en geleende kennis — afwezigheid van de christen, van de hindoe, van de moslim; slechts een open hemel, een puur zijn. Ik gebruik het woord afwezigheid om alles te ontkennen wat niet werkelijk jouw eigen essentie is.
Maar begrijp mij niet verkeerd: deze afwezigheid van 'jou' is je ware aanwezigheid. Alleen de vooroordelen verdwijnen. Het ego verdwijnt, jouw zogenaamd weten verdwijnt — maar wat verschijnt, is jouw zuivere zijn. Je verdwijnt als persoon en er blijft enkel een pure aanwezigheid achter. Aan de ene kant afwezigheid van alles wat vals is, aan de andere kant aanwezigheid van alles wat echt is. In die staat denk je niet, je ziet eenvoudig.
Dit zien is de eerste mystieke ervaring die besloten ligt in het woord satyam: de waarheid zelf.
Het tweede woord, shivam, betekent het goede: alles wat waardevol is, alles wat edel is, alles wat het meest kostbare is; het ultieme goede. De mens die de waarheid ervaart, begint onmiddellijk vanuit die waarheid te leven. Er is geen alternatief. Zijn leven van waarheid is shivam: waarheid in actie, waarheid in je leven, in je liefde, in je vriendschap, in je ogen, in je hart. Shivam is de beweging van waarheid. De waarheid zelf is het stille middelpunt, maar wanneer je haar ervaart, verandert de storm rondom je in shivam: in zuivere goddelijkheid.
Een mens van waarheid is het enige bewijs dat de wereld goddelijk is. Geen enkel argument kan het bewijzen.
Ik herinner mij een van de grote mystici, Ramakrishna. Toen een logisch denker hem vroeg: “Wat is waarheid? Heb je enig bewijs?” barstte Ramakrishna in een uitbundige lach. Hij zei: “Ik bén het bewijs. Als je het niet in mijn ogen kunt zien, zul je het nergens anders vinden.”
Maar dit ‘meer dan meer’ kan door geen enkele denker worden bewezen. Alleen de mysticus is het bewijs — niet door woorden, maar door zijn manier van leven. Zijn leven is de enige mogelijke aanraking met het goddelijke dat je omringt. Je leeft in een oceaan van het goddelijke; de mysticus wordt jouw eerste raam waardoor je het kunt zien.
Shivam is de mysticus in beweging: zijn gebaren, de muziek in zijn woorden, de poëzie van zijn leven, het licht en de diepte van zijn ogen. Wat hij ook doet — hout hakken, water dragen — hij is totaal in elke handeling. En die totaliteit brengt het derde woord: sundaram. Sundaram betekent schoonheid.
Dit is de mystieke drie-eenheid: satyam — waarheid; shivam — het goede, goddelijkheid; sundaram — de schoonheid.
Je hebt schoonheid gezien in bloemen, in sterren, in vogels in vlucht, in zonsopgangen en zonsondergangen. Maar de grootste schoonheid is de totaliteit en intensiteit van de mysticus. Dat is de hoogste bloei van het bestaan zelf — van bewustzijn. Beschikbaar slechts voor hen die nederig genoeg zijn om te ontvangen, wier leven niet gesloten is door angst, maar geopend door liefde.
Zulke ontvankelijke zielen zijn de enige ware zoekers. Zij worden gezegend met de ervaring van sundaram: de roos die in het hart van de mysticus opengaat. Deze drie woorden zijn uniek. Er is niets dat eraan gelijk is.
Waarheid is de ervaring, shivam de handeling die eruit voortkomt, sundaram de bloei van bewustzijn die deze ervaring begeleidt. Deze drie vormen de ultieme werkelijkheid voor hen die op het mystieke pad reizen.
Deze plek is een mysterieschool. Mijn doel is niet om je kennis te geven, maar om alle kennis van je weg te nemen; om je zo onschuldig te maken als een pasgeboren kind — volledig bewust, gevoelig, alert, maar nog onwetend. Die onwetendheid maakt dat elke ervaring voor een kind iets is wat anders slechts de grootste wijzen bereiken.
Om de ontwikkeling van religieus bewustzijn te begrijpen, moet je bij het kind beginnen. Het is de kinderervaring die intelligente mensen hun hele leven achtervolgt. Ze verlangen ernaar terug: de onschuld, de verwondering, de schoonheid. Nu klinkt het als een verre echo, alsof je het slechts in een droom hebt gezien. Maar religie is geboren uit het heimwee naar die kinderlijke wonderervaring — de waarheid, de schoonheid, het leven zelf in zijn dans.
In vogelgezang, in regenboogkleuren, in bloemengeur herinnert het kind zich diep van binnen dat het een paradijs heeft verloren. Alle religies vertellen dit in hun parabels: dat de mens ooit in een paradijs leefde en eruit verdreven werd. Verschillende verhalen, één waarheid: ieder mens wordt in een paradijs geboren en verliest het.
De trage, de ongevoelige vergeet het volledig; de gevoeligen, de scheppenden blijven erdoor geplaagd. Zij zoeken het opnieuw. De zoektocht naar het paradijs is de zoektocht naar je kinderlijke bewustzijn. Niet naar een kinderlijk lichaam, maar naar dezelfde zuiverheid van geest. Dat is het geheim van het mystieke pad: opnieuw kind worden — onschuldig, ongekleurd door kennis, niet wetend maar totaal bewust; vol van verwondering en mysterie.
Dit is van wezenlijk belang. De wetenschapper probeert het bestaan te onttoveren. Zijn streven is alles te kennen. De mysticus doet het tegenovergestelde: hij wil deel worden van het mysterie zelf. Hij wil niet de kenner zijn, maar verdwijnen in het grote geheim.
Ik herinner me een oude, prachtige vertelling…
Een Chinese keizer nodigde alle schilders uit zijn rijk uit. Hij wilde de grootste meester aanwijzen. Een oude schilder vroeg drie jaar tijd en volledige afzondering. De keizer stemde toe. Toen drie jaar voorbij waren, bracht de schilder de keizer naar een muur waar een woud was geschilderd, met een kronkelend pad dat verdween in de bergen. De keizer, overweldigd, vroeg: “Waar leidt dat pad heen?” De schilder antwoordde: “Er is maar één manier om het te weten: ga erop lopen.” En hand in hand stapten zij het schilderij binnen — en zijn nooit teruggekeerd.
Zo is de weg van de mysticus: hij verdwijnt in het bestaan zonder terug te keren.
De wetenschapper blijft buitenstaander: analyserend, observerend. De mysticus danst mee, zingt met vogels, danst met de regen, smelt langzaam samen met het bestaan. Hij onttovert niet — hij verdiept het mysterie. Hij verheerlijkt het, geeft het majesteit, maakt het tot een extatische ervaring.
De mysticus is een minnaar, geen denker. Liefde is zijn god, niet logica. Door liefde ontdekt hij drie dingen: satyam, shivam, sundaram — waarheid, goddelijkheid, schoonheid.
De wetenschapper heeft kennis maar kent niets. Albert Einstein zei op zijn sterfbed: “Als ik opnieuw zou leven, zou ik geen wetenschapper zijn. Ik weet zoveel, maar niets van mijzelf.” Hij stierf teleurgesteld, ondanks zijn grootheid.
De mysticus wil slechts één ding: een lied in je hart, een dans in je voeten, een vreugde die nooit dooft.
Onthoud deze drie woorden — de mooiste ooit uitgesproken, dragers van het wezen van de ultieme werkelijkheid: satyam, shivam, sundaram.

