top of page
lotus coloured.png

056

It is here. It is always here.

@ OSHO

De eerste vraag:
Denk je dat je naar de hemel gaat wanneer je sterft?

Prem Pramod, er is nergens een hemel; zij is hier. Ze is altijd hier, nooit daar. Ze is altijd nu, nooit dan.

Het idee van een hemel die ergens anders is – daar, dan – is een strategie van het verstand om je te misleiden, om je onwetend te houden over de hemel die je ieder moment omringt. Het bestaan kent geen verleden, geen toekomst. De enige tijd die het bestaan kent is het nu, en de mediteerder moet binnengaan in deze nuheid van de dingen. Dít is de hemel. In ditzelfde moment zijn we erin. Jij bent je er niet van bewust; ik ben me ervan bewust. Dat is het enige verschil: jij slaapt, ik ben wakker. Maar we bestaan in dezelfde ruimte. Er is nergens om naartoe te gaan.

Het Bijbelse verhaal zegt dat God boos werd op Adam en Eva en hen uit de Hof van Eden wierp. Dat is onmogelijk – ja, zelfs voor God is dat onmogelijk. Men zegt dat God almachtig is, maar er zijn grenzen aan almacht. Hij kan bijvoorbeeld niet van twee plus twee vijf maken. Hij kan niemand uit het paradijs werpen, want alleen het paradijs bestaat; het is synoniem met het bestaan zelf.

Wat er dus moet zijn gebeurd is dit: Adam en Eva werden, na het eten van de vrucht van kennis, een mind. Wanneer je de vrucht van kennis eet word je ’een mind’, je verliest je onschuld, je wordt iemand die weet. En kennis drijft je weg uit het nu naar het dan, naar het daar. De mind is altijd ergens anders. Adam en Eva moeten in slaap zijn gevallen. Metafysisch betekent in slaap vallen: een mind worden. En om een Boeddha te worden, een ontwaakte, om een Christus te worden, moet je uit de mind komen, uit de kennis stappen en opnieuw onschuldig worden. Dat is de hele alchemie van meditatie.

Ik ben niet langer geïdentificeerd met de mind, dus er is voor mij geen sprake van zomaar ergens een hemel. Religieuze geschriften staan er vol van. Ze geven je zelfs kaarten – waar de hemel is, hoe ver weg, hoe je er moet komen, welk pad je moet bewandelen, naar welke gids je moet luisteren: Christus, Mohammed, Boeddha. En ze maken je bang dat, als je de hemel niet bereikt, je in de hel zult vallen. Maar noch de hemel bestaat, noch de hel bestaat; ze bevinden zich enkel in je psychologie.

Wanneer je psychisch afgestemd bent op het bestaan, wanneer je stil bent, ben je in de hemel. Wanneer je verstoord bent, wanneer je je stilte verliest, wanneer er rimpelingen en rimpelingen ontstaan in het meer van je bewustzijn en de spiegelkwaliteit van dat bewustzijn verloren gaat, dan ben je in de hel. De hel betekent eenvoudig: disharmonie in jezelf – én tussen jou en het bestaan. Zodra je harmonieus bent in jezelf en met het bestaan – twee kanten van dezelfde medaille – ben je onmiddellijk in de hemel. Hemel en hel zijn niet geografisch.

Dus, Pramod, het eerste om te herinneren is: voor mij bestaan er geen hemel, geen hel. Ze verdwenen op het moment dat ik me losmaakte van de mind. En ten tweede: niemand wordt ooit geboren en niemand sterft ooit; beide zijn illusies. Zeker, ze lijken echt, maar slechts zoals een touw voor een slang wordt aangezien wanneer je niet helder kunt zien. De avond valt misschien, de zon is onder, en je loopt op een donker pad. Plotseling word je bang voor een slang. Maar daar ligt enkel een touw. Breng wat licht – een enkel kaarsje is genoeg – en de slang blijkt nergens te zijn. Ze was er nooit.

Geboorte is even illusoir als de slang in het touw; en als geboorte illusoir is, dan is de dood dat natuurlijk ook. Je wordt nooit geboren en je sterft nooit. Je gaat een lichaam binnen – dat noemen we geboorte – en op een dag verlaat je het lichaam – dat noemen we dood – maar wat jou betreft: je was er vóór je geboorte en je zult er zijn na je dood. Geboorte en dood begrenzen je leven niet; er zijn vele geboortes en vele doden geweest. Het zijn kleine episodes in de eeuwigheid van je leven. En op het moment dat je je bewust wordt van deze eeuwigheid – een ander woord voor nu, voor tijdloosheid – verdwijnen angst en zorgen over de dood onmiddellijk, zoals dauwdruppels verdwijnen in de ochtendzon.

Dus het tweede, Pramod: ik ga niet sterven. Zeker, op een dag zal ik het lichaam verlaten – in feite heb ik het vijfentwintig jaar geleden al verlaten. Er is geen enkele verbinding meer met het lichaam. Ik ben slechts een gast; ik bezit het niet. Ik ben er geen deel meer van, en het is geen deel meer van mij. We zijn samen, op vriendschappelijke voet – er is geen vijandigheid, ik respecteer het omdat het me onderdak biedt – maar er is geen brug. Het lichaam is daar, ik ben hier, en tussen ons is een kloof.


Zen: Zest, Zip, Zap and Zing, Hoofdstuk 2
28 december 1980, ochtend, in de Buddha Hall




The first question:
Do you think that you will go to heaven when you die?

Prem Pramod. There is no heaven anywhere, it is here. It is always here, it is never there. It is always now, it is never then.

The very idea of heaven somewhere else– there, then– is a strategy of the mind to deceive you, to keep you ignorant of the heaven that surrounds you every moment. Existence knows no past, no future. The only time existence knows is now, and the meditator has to enter this ’nowness’ of things. This is heaven. This very moment we are in it. You are not aware, I am aware of it. That’s the only difference: you are sleep, I am awake. But we exist in the same space. There is nowhere to go.

The biblical story says God became angry with Adam and Eve and threw them out of the Garden of Eden. That is impossible– yes, even for God it is impossible. They say God is omnipotent, but there are limits to omnipotence too. For example, he cannot make two plus two equal five. He cannot throw anybody out of paradise because only paradise exists; it is synonymous with existence itself.

So what must have happened is: Adam and Eve after eating the fruit of knowledge became minds. When you eat the fruit of knowledge you become a mind, you lose your innocence, you become knowledgeable. And knowledge drives you out of the now to the then, to the there. Mind is always somewhere else. Adam and Eve must have fallen asleep. Metaphysically to fall asleep means to become a mind. And to become a Buddha, awakened, to become a Christ is to come out of the mind, to come out of knowledge and again become innocent. That’s the whole alchemy of meditation.

I am not identified with the mind anymore, so there is no question of any heaven anywhere else. Religious scriptures are full of it. They even give you maps– where heaven is, how far away, how to reach there, what path to travel, which guide to listen to: Christ, Mohammed, Buddha. And they also make you very afraid that if you don’t reach heaven you will fall into hell. Neither heaven exists nor hell exists; they are just in your psychology.

When you are psychically attuned with existence, when you are silent, you are in heaven. When you are disturbed, when you lose your silence, you are distracted and there are ripples and ripples in the lake of your consciousness and all the mirror-like quality of the consciousness is lost, you are in hell. Hell simply means disharmony within you– within you and with existence too. The moment you are harmonious within yourself and with existence– and they are two sides of the same coin, immediately you are in heaven. Heaven and hell are not geographical.

So, Pramod, the first thing to remember is: there is no heaven, no hell for me. They disappeared the moment I became disidentified with the mind. Secondly: one is never born and never dies; both are illusions. Certainly it appears so, but it appears so just like a snake appearing as a rope when you cannot see clearly. Maybe night is descending, the sun has set, and you are on a dark path, and suddenly you become afraid of the snake. But there is only a rope lying there. Bring some light– just a candle will do– and the snake is no longer found. It was never there in the first place.

Birth is as illusory as the snake seen in a rope; and if birth is illusory, of course death is illusory. You are never born and you never die. You certainly enter into a body– that is a birth– and one day you leave the body– that’s what you call death– but as far as you are concerned, you were before your birth and you will be after your death. Birth and death don’t confine your life; there have been many births and many deaths. Births and deaths are just small episodes in the eternity of your life, and the moment you become aware of this eternity– another name for now, this timelessness– all fear, all anxiety about death immediately evaporates just as dewdrops evaporate in the early morning sun.

So the second thing, Pramod: I am not going to die. Certainly, one day I will leave the body– in fact I left it twenty-five years ago. There is no longer any connection with the body. I am just a guest, I don’t own it. I am no longer part of it, it is no longer part of me. We are together, and on friendly terms– there is no antagonism, I respect it because it gives me shelter– but there is no bridge. The body is there, I am here, and between the two there is a gap.


Zen: Zest, Zip, Zap and Zing, Chapter 2
28 December 1980 am in Buddha Hall

bottom of page