
In de dagen die ons wachten,
die langs ons zullen glijden,
zullen we leren meer te dragen—
zachte droefheid.
De hemel zal op ons wachten tot we het begrijpen.
’s Nachts zullen we uit onszelf wegrennen
naar velden van kindertijd, in een ongevangen land.
Je bent het water dat de aren smeekt te groeien.
God luistert altijd naar het hart,
wanneer de pijn daar ligt als een steen—
ik ben al bijna gestorven van liefde.
De jaren zullen onze voeten doen struikelen,
maar wij zullen niet vallen—
als steen zullen we staan,
tegen alle stormen van zand, sneeuw en vuur.
Altijd zullen we weten: het gaat voorbij.
God luistert altijd naar het hart,
wanneer de pijn daar ligt als een steen—
ik ben al bijna gestorven van liefde.
♡
Beyamim sheyavru aleinu neda lasset yoter
atzvut rakhá,
ve’ha-shamayim yekhakku lanu ad shenavin.
Uva-laylot narutz mitokh atzmeinu
el sdot yaldut, be’erets lo shevuya.
Ata ha-mayim ha-mevakshim mishibolim ligdol.
Elohim vadai makshiv tamid la-lev
kshe’ha-ke’ev kmo even sham.
Ani kim’at kvar met me’ahavá.
Ha-shanim yakshilu et ragleinu,
akh lo nipol, kmo even na’amod
mul kol sufot ha-khol, ha-sheleg ve-ha-esh.
Tamid neda lizkor sheyavor.
Elohim vadai makshiv tamid la-lev
kshe’ha-ke’ev kmo even sham.
Ani kim’at kvar met me’ahavá.



