top of page
00:00 / 09:38
Sharing Love
lotus coloured.png

261

Moods of Kirtan (Śikṣāṣṭakam)

@ Gaura Vani & As Kindred Spirits

De Śikṣāṣṭakam is een acht verzen tellend gedicht dat wordt toegeschreven aan Śrī Caitanya Mahāprabhu, de 15e-eeuwse grondlegger van de Gaudiya Vaiṣṇava-traditie. Dit gedicht drukt de essentie van bhakti (devotie) en de glorie van het chanten van de heilige namen van Krishna uit.

Gaura Vani & As Kindred Spirits is een muzikale groep die traditionele Indiase kirtan (spirituele zang) combineert met moderne invloeden zoals folk, jazz en wereldmuziek. De band wordt geleid door Gaura Vani, een muzikant en zanger die opgroeide in de Hare Krishna-beweging en al vanaf jonge leeftijd kirtan beoefent.

Een van hun bekendste albums is Ten Million Moons (2009). Het nummer dat je hier hoort komt van dat album. De groep treedt vaak op bij spirituele festivals, yoga-retreats en wereldmuziekevenementen.

Bhakti is een Sanskrietwoord dat "toewijding" of "liefdevolle overgave" betekent. Het verwijst naar een spiritueel pad binnen het hindoeïsme dat draait om pure, onvoorwaardelijke liefde voor het goddelijke. Bhakti wordt vaak beoefend door middel van zang (kirtan), gebed, meditatie, rituelen en het dienen van anderen.

Die liefdevolle toewijding en overgave is bij Gaura Vani goed te horen. Zelfs als je niet begrijpt wat de woorden betekenen, voel je de intensheid, het verlangen en de liefde waarmee wordt gezongen. Het gaat dus vooral om de manier waarop het lied ten gehore wordt gebracht.



1

Het zingen van de heilige namen van Śrī Kṛṣṇa
reinigt het stof van de spiegel van het bewustzijn,
blust het grote bosvuur van het materiële bestaan,
verspreidt het weldadige maanlicht over
de witte, zich openende lotusbloem van het hoogste welzijn,
is het leven van de bruid genaamd wijsheid,
vergroot de oceaan van geluk,
geeft bij elke stap de smaak van volledige nectar,
en baadt de hele ziel.
Moge de śrī-kṛṣṇa-saṅkīrtana zegevieren.

2

O Heer, in Uw namen hebt U Uw volledige kracht in vele vormen gelegd,
en er is geen vastgestelde tijd om ze te herinneren.
Zulk is Uw genade, Bhagavān.
Maar mijn ongeluk is dat ik geen liefde (aantrekking) voor hen heb.

3

Door nederiger te zijn dan een grasspriet,
verdraagzamer dan een boom,
geen eer voor zichzelf te verlangen
en ieder ander eer te geven,
kan men altijd Hari’s naam zingen.

4

O Heer van het universum,
ik verlang geen rijkdom,
geen volgelingen,
geen mooie vrouw,
noch verfijnde poëzie.
Laat er in al mijn geboorten slechts één ding zijn:
ongekunstelde, onvoorwaardelijke toewijding aan U.

5

O zoon van Nanda,
ik ben Uw dienaar,
maar ben gevallen in deze gevaarlijke oceaan van bestaan.
Wees genadig:
denk aan mij als een stofdeeltje
aan Uw lotusvoeten.

6

Wanneer zal het gebeuren dat,
bij het uitspreken van Uw naam,
mijn ogen zullen overlopen van tranen,
mijn stem zal verstikken van emotie,
en mijn lichaam zal bedekt zijn
met rillingen van extase?

7

Door van U gescheiden te zijn, mijn Govinda,
wordt één enkel ogenblik
als een tijdperk,
stromen mijn ogen als in het regenseizoen,
en lijkt de hele wereld
leeg.

8

Laat Hij mij omhelzen en aan Zijn voeten houden,
óf mij verpletteren
door mij Zijn aanwezigheid te onthouden;
laat Hij met mij doen
wat Hij maar wil —
Hij is de Heer van mijn leven,
en niemand anders.



1

ceto-darpaṇa-mārjanaṁ bhava-mahā–dāvāgni-nirvāpaṇaṁ
śreyaḥ-kairava–candrikā–vitaraṇaṁ vidyā–vadhū–jīvanam
ānandāmbudhi–vardhanaṁ prati-padaṁ pūrṇāmṛtāsvādanaṁ
sarvātma-snapanaṁ paraṁ vijayate śrī–kṛṣṇa–saṅkīrtanam

2

nāmnām akāri bahudhā nija-sarva-śaktiḥ
tatrārpitā niyamitaḥ smaraṇe na kālaḥ
etādṛśī tava kṛpā bhagavan mamāpi
durdaivaṁ īdṛśam ihājani nānurāgaḥ

3

tṛṇād api sunīcena
taror iva sahiṣṇunā
amāninā mānadena
kīrtanīyaḥ sadā hariḥ

4

na dhanaṁ na janaṁ na sundarīṁ
kavitāṁ vā jagad-īśa kāmaye
mama janmani janmanīśvare
bhavatād bhaktir ahaitukī tvayi

5

ayi nanda-tanuja kiṅkaraṁ
patitaṁ māṁ viṣame bhavāmbudhau
kṛpayā tava pāda-paṅkaja-
sthita-dhūlī-sadṛśaṁ vicintaya

6

nayanaṁ galad-aśru-dhārayā
vadanaṁ gadgada-ruddhayā girā
pulakair nicitaṁ vapuḥ
kadā tava nāma-grahaṇe bhaviṣyati

7

yugāyitaṁ nimeṣeṇa
cakṣuṣā prāvṛṣāyitam
śūnyāyitaṁ jagat sarvaṁ
govinda-viraheṇa me

8

āśliṣya vā pāda-ratāṁ pinaṣṭu mām
adarśanān marma-hatāṁ karotu vā
yathā tathā vā vidadhātu lampaṭo
mat-prāṇa-nāthas tu sa eva nāparaḥ

bottom of page